GebruikersmenuClose

Menu

Menu

Wist u dat?

Het vogelbekdier en de mierenegel de enige 2 zoogdieren zijn die eieren leggen?

vogelbekdier mierenegel

Deze dieren worden 'monotremen' genoemd.

Beoordelingen

maltezer ( 5 beoordelingen )
gele-dovenetel ( 4 beoordelingen )
kippen ( 3 beoordelingen )
dagpauwoog ( 2 beoordelingen )
hondsdraf ( 2 beoordelingen )
Powered by Spearhead Software Labs Joomla Facebook Like Button

Forel - Salmo trutta

Forel - Salmo trutta - 5.0 / 5 gebaseerd op 1 gebruikerswaardering

Inhoud:
Korte beschrijving | Kenmerken | Verwisselbare soorten
Leefwijze en biotoop | Verspreiding

 

Klik hierboven op het plaatje voor een grotere afbeelding

 

Korte beschrijving

De Forel is een krachtig gebouwde, spoelvormige, zijdelings matig samengedrukte vis, meestal met grote, onregelmatig verdeelde, zwarte en rode stippen.

Voor de hooguit zwak uitgerande staartvin zit een vetvin zonder vinstralen.

 

Kenmerken

Anadrome vormen (Zeeforel en Meerforel) kunnen 1,3 m lang en 30 kg zwaar worden; stationaire zoetwatervormen (Beekforel) halen hooguit 50 cm.
De kop is groot, de kaken dragen krachtige tanden, de mondspleet reikt tot achter het oog. Kleine schubben.
Staartsteel relatief hoog en sterker zijdelings samengedrukt; staartvin bijna recht afgesneden of zwak uitgerand.

Rugvin en buikvinnen vrijwel in het midden van het lichaam geplaatst.

Vetvin vaak roodachtig of met een rode zoom.

De kleur van het lichaam varieert sterk bij de diverse vormen; ook kunnen de dieren (geleidelijk) hun kleur aan die van de bodem aanpassen.

Volwassen, kuitrijpe Zee- en Meerforellen hebben een zeer donkere, haast zwarte of bruinachtige rug en een lichte, min of meer zilverige buik.

De flanken zijn tot ver onder de zijlijn bezaaid met onregelmatige, grote, zwart- of bruinachtige vlekken, deels met een lichte rand.

Jonge vissen zijn lichter van kleur, met zilverig glanzende flanken en minder vlekken.

Bij de Beekforel is de grondkleur zeer variabel, maar ze bezitten naast zwarte ook rode, lichtgerande stippen op de flanken.

Zeer jonge vissen (tot 10 cm lengte) van alle vormen bezitten bovendien donkere dwarsbanden.

120-130 schubben op de zijlijn.

Vinstralen: rugvin 11-15, aarsvin 9-14, borstvin 11-16, buikvin 7-10.

 

Verwisselbare soorten

Zeeforel en Meerforel kunnen licht met de Zalm (Salmo salar) verward worden, de vormen in bepaalde wateren zijn nauwelijks te onderscheiden.

Maar de staartsteel van de Forel is platter en hoger dan bij de Zalm, de staartvin is minder uitgerand, de kop is groter met verder naar voren geplaatste ogen, en vaak (maar niet altijd) is de vetvin roodachtig gezoomd.

Beekforellen hebben haast altijd rode stippen op de flanken (anders dan bij de Regenboogforel), de borst- en buikvinnen hebben geen witte voorranden (anders dan bij de Bronforel en de Beekridder), en het lichaam is zijdelings samengedrukt (niet bijna rolrond, zoals bij de Donauzalm).

 

Leefwijze en biotoop

De niet zeer soortenrijke familie der Zalmen en Forellen (Salmonidae) is vrijwel tot het noordelijk halfrond beperkt.

Kenmerkend zijn de krachtige betanding van de kaken, de weinig samengedrukte tot rolronde romp en de aanwezigheid van een vetvin voor de staartsteel.

Vetvinnen vindt men ook bij de nauwverwante Vlagzalmen, Coregoniden en Spieringen, en verder bij de (niet verwante) tropische karperzalmen en veel meervallen.

Salmoniden paaien in principe in zoet water, al brengen de anadrome vormen een groot deel van hun leven in zee door.

De meeste soorten zijn roofvissen en prefereren koud, zuurstofrijk water.

De Forel (Salmo trutta) komt van nature in heel Europa voor, alsook in delen van West- Azië en Noord-Afrika.

Als ‘sportvis’ werd hij echter al in de 19de eeuw in allerlei wateren in de toenmalige koloniën uitgezet, zodat we hem nu op alle continenten kunnen tegenkomen, uitgezonderd Antarctica. In Europa komen enkele ondersoorten en talrijke standplaatsvormen voor, die deels op weinig uniforme wijze van namen zijn voorzien.

Daaronder zijn zowel anadrome Zee- en Meerforellen alsook stationaire zoetwatervormen. Om de lezer een beetje wegwijs te maken in de warboel van ondersoorten’, ‘vormen’ en ‘morphae’ (morfen, morfotypen) geven we hieronder een kort overzicht van de infraspecifieke systematiek, zoals die door diverse auteurs wordt gehanteerd.

Toegegeven moet worden, dat veel op louter hypothese berust en dat naamsveranderingen in de toekomst niet uitgesloten zijn.

Als meest oorspronkelijke vormen beschouwt men de anadrome ‘Zeeforellen’, die net als de Zalm in zee leven en trektochten ondernemen naar de bovenlopen van rivieren, om te paaien. Zeeforellen zijn te verdelen in drie geografisch gescheiden ondersoorten:

 

De Atlantische forel uit Noord-Europa (Salmo trutta trutta), de Pontische forel (S. t labrax) uit de Zwarte Zee, en de Kaspische forel (S. t. caspius).

Van deze stamvormen leidt men de populaties af, die permanent in zoet water leven.

Omdat de verschillen (zowel uiterlijk, als door de leefwijze) in elk geval bij een deel van deze populaties vermoedelijk alleen door milieu-invloeden worden veroorzaakt, worden ze als vormen of morfotypen aangeduid.

Zo wordt met ‘morpha fario’ verwezen naar de standplaatsgetrouwe dwergvormen uit kleine, stromende wateren (Beekforellen); met morpha lacustris’ bedoelt men de veel grotere forellen uit diepe meren, die deels trektochten ondernemen in de daarin uitmondende beken (Meertorellen).

Daaruit volgt dat bijvoorbeeld de Beekforellen’ uit de zijrivieren van de Donau nauwer verwant zijn met de Zeeforellen uit de Zwarte Zee, dan met de uiterlijk en qua gedrag niet te onderscheiden Beekforellen’ uit de zijrivieren van de Rijn; dat is ook door bijzondere details van de skeletbouw aan te tonen.

De juiste naam voor een Beekforel uit de Boven-Isar, een zijrivier van de Donau in Zuid-Duitsland, moet dus luiden: Salmo trutta labrax m. fario (waarin ‘m.’ de afkorting van ‘morpha’ voorstelt).

Het verschillende uiterlijk van Beek- en Zeeforellen uit hetzelfde rivierstelsel berust niet op erfelijke verschillen; dat werd op enkele plaatsen ook aangetoond.

Zo werden gemerkte jonge Beekforellen in grote Alpenmeren uitgezet, waar ze zich tot typische Meerforellen bleken te ontwikkelen.

Een bijzondere situatie doet zich in de rivieren rond de Middellandse Zee voor.

Uit Italië, de zuidelijke Balkanlanden, Zuid-Turkije en de Maghreb (in Noordwest-Afrika) werden talrijke ‘ondersoorten’ beschreven, die thans allemaal tot de vormenkring van de Mediterrane ‘forel’ worden gerekend (S. t. macrostigma).

Tussen de populaties van de diverse rivierstelsels bestaan soms aanzienlijke verschillen, zowel uiterlijk als door de leefwijze.

Maar al deze vormen gaan mogelijk terug op een enkele, al lang geleden uitgestorven anadrome soort van ‘Zeeforel’ uit de Middellandse - Zee.

Het voortbestaan van deze vormenrijkdom, die in lange geologische tijdperken is ontstaan door aanpassing aan uiteenlopende leefmilieu’s, is de laatste decennia onzeker geworden. Oorzaken zijn niet zozeer watervervuiling en regulering van rivieren en beken; daaronder heeft de Zeeforel wel sterk te lijden, maar de Beekforel toch veel minder.

Veel funester voor de autochtone populaties van de Beekforellen is de vermenging met vormen van elders, die als pootvis zijn uitgezet; de locale vormen kunnen daardoor worden verdrongen.

De Beekforel was zo geliefd bij hengelaars dat de populaties sterk terugliepen, een effect dat nog door de toenemende watervervuiling werd versterkt.

Men heeft dan vaak geprobeerd de verliezen goed te maken door regelmatig grote aantallen jonge vissen uit broedkwekerijen in die wateren uit te zetten.

Maar daarbij werd vaak geen acht geslagen op de herkomst van de ouders van de pootvis; en daardoor is een onoverzichtelijke toestand ontstaan.

We weten niet in hoeverre de oorspronkelijke, standplaatsgetrouwe bestanden zich hebben gehandhaafd, maar evenmin of de uitgezette dieren zich in de nieuwe woonomgeving met succes voortplanten dan wel steeds door nieuwe pootvis moeten worden aangevuld.

Gelukkig breekt bij veel visserij-organisaties en hengelverenigingen het besef door, dat alleen autochtone nakweekproducten moeten worden uitgezet, zo dat al ooit zinvol is - want in feite zou een deel van het vele geld dat nu aan pootvis wordt uitgegeven zinvoller besteed zijn aan de verbetering van de waterkwaliteit.

Maar in veel gebieden laat men zich meer leiden door de kosten dan door de wens de populaties zuiver te houden.

Zo worden nog steeds veel dieren uit Oost-Europa in de Alpenriviertjes uitgezet.

Om de genetische diversiteit tenminste voor een deel te behouden, is het dringend gewenst in alle grotere rivierstelsels visreservaten in te richten, zodat de zuivere populaties kunnen worden beschermd.

Dat geldt in het bijzonder voor de geïsoleerde zoete wateren in het mediterrane gebied, en dan met name op de Balkan.

Hierna zullen we de leefwijze van de voornaamste vormen van de Forel apart bespreken.

 

De Zeeforel (Salmo t. trutta) geldt als de stamvorm van alle Noordwest-Europese forellen.

Hij wordt meestal 50-80 cm lang, zelden tot 1,1 m; en hij leeft in de kustwateren.

In de paartijd trekt hij ver de rivieren op, de trek begint in juni en juli, maar de dieren verzamelen zich al wat eerder in brak water nabij de riviermonden.

Geslachtsrijpe mannetjes ontwikkelen in die tijd een gekromde onderkaak (net als bij de Zalm).

De trek wordt voortgezet tot in de snelstromende beken van het forellengebied, en daar wordt van december tot maart gepaaid; daarna blijven de dieren daar vaak nog een tijdje.

Anders dan bij de Zalm komen ze na het paaien meestal weer redelijk op krachten, en dan trekken ze naar zee terug.

Een individueel dier kan dus in de loop van zijn leven verscheidene (jaarlijkse) trektochten ondernemen.

De jonge forellen zijn eerst overdwars gestreept, ze blijven in zoet water tot ze ongeveer 15 cm lang zijn, waarna ze geleidelijk wegtrekken naar Zee, daar worden ze in ongeveer twee jaar tijds geslachtsrijp.

Afhankelijk van hun maat eten ze kleine kreeftachtigen, insectenlarven en later ook vis.

Voordat de rivieren werden gereguleerd speelden Zeeforellen een belangrijke economische rol, het vetrijke en fraai roodachtige vlees is van even hoge kwaliteit als dat van de Zalm en werd vroeger vaak als ‘zalmforel’ verkocht.

Bij de producten die tegenwoordig onder die naam worden aangeboden gaat het meestal om grote Regenboogforellen die met kunstvoer in kwekerijen zijn vetgemest.

Zeeforellen komen in noemenswaardige aantallen alleen nog voor in kleine, niet door regulering vernielde rivierstelsels; men is er plaatselijk in geslaagd om populaties door kunstmatige opfok van eieren in stand te houden of zelfs te vergroten.

 

De Pontische forel (S. t. labrax) is uiterlijk nauwe van de atlantische vorm te onderscheiden, hij onderscheidt zich echter door een groter aantal kieuwzeefaanhangsels op de eerste kieuwboog.

Over zijn leefwijze is weinig bekend.

Recent is hij alleen nog langs de noordkust van Turkije waargenomen, hij trekt daar in het voorjaar de rivieren binnen en paait (vermoedelijk) in de winter.

De bestanden zijn ernstig bedreigd door de toenemende verdroging van de paairiviertjes, als gevolg van het kappen van bos.

 

De Kaspische forel (S. t. caspius) wordt groter dan de andere ondersoorten, hij haalt een gewicht van 51 kg.

Er kunnen blijkbaar diverse ecologische vormen worden onderscheiden, die op verschillende tijden de rivieren optrekken, en ook niet alle even ver.

De grootste, tot in de bovenlopen doordringende dieren schijnen maar eens in hun leven te paaien en lijken in dat opzicht meer dan de andere forellen op de Zalm.

 

‘Meerforellen’ vindt men in stroomgebieden die uitwateren op zowel de Atlantische Oceaan als de Zwarte Zee.

Ze leven in koude, zuurstofrijke, meestal diepe meren, vooral in Noord-Europa en de Alpen; in het laatste gebied komen ze tot 2000 m hoogte voor.

De maximale lengte hangt af van het voedselaanbod, in principe kunnen ze 1,4 m lang en 30 kg zwaar worden, en ze overtreffen daarin dus de Zeeforel nog.

Veel populaties ondernemen trektochten naar de bovenlopen van de rivieren die in hun meren uitmonden, sommige paaien echter in de meren zelf, dan vaak boven grindbodems in de buurt van zuurstofrijke bronnen.

De eerst nog transparante jongen worden weldra zilverkleurig, en leiden zo 3-7 jaar een zwervend bestaan in open water.

Als ze geslachtsrijp worden, krijgen ze de donkere kleuren van de volwassen dieren, en kiezen ze een vaste woonplaats.

Zulke ‘grondforellen’ jagen vanuit de dekking; ze loeren vanuit schuilplaatsen in de diepere waterlagen op prooi.

In voedselarme meren worden ze zelden zwaarder dan 5 kg, maar elders kunnen ze tot ware reuzen uitgroeien.

Wegens hun vraatzucht wordt hun aanwezigheid in wateren met zeldzame houtingen en bronforellen meestal niet op prijs gesteld.

De paaitijd valt tussen september en december; vroeger dus, dan bij de Zeeforel.

Meerforellen zijn alleen plaatselijk van economische betekenis.

 

 

Beekforellen hebben van alle forellen de grootste verspreiding.

Hoewel ze in de delen van hun areaal van verschillende ondersoorten van de Zeeforel af stammen, zijn ze op uiterlijke kenmerken en ook door hun levenswijze nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Beekforellen zijn dwergvormen binnen deze grote verwantschapskring, die zich hebben aangepast aan snelstromende, zuurstofrijke beken, tot in de brongebieden.

Ze worden meestal ongeveer 30 cm lang, zelden 50 cm.

Beekforellen zijn trouw aan de standplaats.

Ze hebben vaste schuilplaatsen, bijvoorbeeld onder overhangende stenen of wortels, die ze tegen concurrenten verdedigen; ze zijn dus territoriaal ingesteld.

Hun voedsel hangt van het aanbod af, maar omvat kleine kreeftachtigen, insecten (vooral kokerjufferlarven) en kleine vissen.

In zeer koude, dus ook voedselarme beken zijn ze merendeels aangewezen op vliegende insecten, die ze van het oppervlak wegvangen of zelfs met een sprong boven water verschalken.

Forellen in zeer hoog gelegen bergbeken of -meren worden vaak niet langer dan ca. 15 cm; ze worden wel ‘steenforellen’ genoemd.

Beekforellen worden bij gunstige omstandigheden in hun derde of vierde jaar geslachtsrijp. Dieren uit gebergten beginnen al vanaf oktober te paaien, maar in het laagland verschuift de rijtijd naar later, soms tot in maart.

De paaiplaatsen liggen meestal stroomopwaarts van de normale voedselterritoria, zodat ook deze vorm vaak (bescheiden) trektochten onderneemt.

Anders dan bij de Zee- en Meerforellen komt bij de Beekforel geen zilverkleurige, in open water jagende jeugdvorm voor; de dwarsgestreepte jongen van de Beekforel krijgen al vanaf een lengte van ca. 10 cm dadelijk het kleed van de ouders, met zwarte en rode stipjes.

Beekforellen hebben geen grote economische betekenis, omdat ze alleen in kleine, ook ‘s zomers koude wateren voorkomen; de temperatuur mag niet lang boven 18 °C komen.

Bij hengelaars zijn ze echter erg geliefd omdat men er met de veeleisende techniek van het vliegvissen jacht op kan maken, gebruik makend van hun schitterende reflexen bij het vangen van vliegende of drijvende insecten.

 

Verspreiding

Geheel Europa en West-Azië, oostwaarts ongeveer tot het Aralmeer; ook in Noord-Afrika (Atlasgebergte en omgeving).

Beekforellen zijn ook op andere continenten uitgezet.

5 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Waardering 100% (1 Beoordeling)

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Nieuws - Dieren

Recent bezocht

Laatste reacties