GebruikersmenuClose

Menu

Menu

Wist u dat?

je maar door één neusgat tegelijk ademt?

neus

Het neusgat door welke de lucht het makkelijkst naar binnenstroomt wisselt om de paar uur.

Beoordelingen

maltezer ( 5 beoordelingen )
gele-dovenetel ( 4 beoordelingen )
kippen ( 3 beoordelingen )
dagpauwoog ( 2 beoordelingen )
hondsdraf ( 2 beoordelingen )
Powered by Spearhead Software Labs Joomla Facebook Like Button

Karper - Cyprinus carpio

Inhoud:
Beschrijving | Kenmerken | Verwisselbare soorten
Leefwijze en biotoop | Verspreiding
 

schubkarper

Schubkarper

 Beschrijving

de wilde karper is gestrekt en zijdelings weinig samengedrukt, met grote schubben, zeer lange rugvin en 2 paar baarddraden.

De gekweekte karpers zijn hoogruggig, gedrongen, vaak met gereduceerd schubbenkleed.

 

Kenmerken

Het lichaam bij de wilde vorm langgestrekt, niet hoogruggig, zijdelings weinig samengedrukt.

de lengte varieert meestal van 30 tot 70 cm, maximaal 1,2 m.

de Kop van de karper is kegelvormig met kleiene ogen.

Mondspleet eindstandig, met 2 paar baarddraden opzij van de bovenlip (het voorste paar korter); de bek kan slurfvormig worden uitgestulpt. Schubben zeer groot; zijlijn volledig ontwikkeld.

De rugvin van een karper is zeer lang, de zoom uits uitgehold; aarsvin kort; staartvin met duidelijke uitbochting.

Rugzijde bruinachtig-groen, flanken lichter, de buik witachtig. Vinnen donkergrijs, vaak met blauwachtige weerschijn; gepaarde vinnen soms iets roodachtig.

33 tot 40 schubben op de zijlijn.

Vinstralen: rugvin 20 tot 28, aarsvin 8 tot 9, borstvin 16 tot 17, buikvin 10 tot 11, staartvin 19. Keeltanden 1.1.3 - 3.1.1.

Kweekvormen zijn korter, met een zeer hoge rug en een relatief grote kop; de schubben zijn vaak gereduceerd tot ontbrekend, of juist erg groot en onregelmatig verdeeld.
 

Verwisselbare soorten

Kroeskarper (Carassius carassius) en Giebel (C. gibelio) missen de baarddraden.

De Zeelt (Tinca tinca) heeft een korte, afgeronde rugvin.

rijenkarper

Rijenkarper

 Leefwijze en biotoop

De wilde vorm van de Karper komt voor in de gebieden rond de Kaspische Zee en de Zwarte Zee (Donau); de westgrens van het natuurlijke areaal ligt momenteel waarschijnlijk bij de Hongaars-Oostenrijkse grens.

Deze thermofiele soort kwam blijkens fossiele vondsten ca. 8000 jaar geleden ook in de bovenloop van de Donau voor; de areaalgrens kan dus blijkbaar verschuiven als het klimaat verandert.

Kweekvormen van de Karper vindt men sinds de Romeinse tijd ook in koelere delen van Europa.

Daar wordt de karper gekweekt in ondiepe, kunstmatige vijvers, omdat in natuurlijke wateren de temperatuur die voor de voortplanting nodig is zelden bereikt wordt.

Wilde karpers leven gezellig in groepen, en voelen zich zowel in stilstaand als vrij sterk stromend water thuis.

Karpers hebben een weke bodem nodig, die ze met hun uitstulpbare bek doorwoelen bij het zoeken naar kleine bodemdiertjes (vooral insectenlarven).

Overdag rusten de karpers meestal in diepere waterlagen; pas als de schemering invalt worden ze actief.

In de natuur planten de karpers zich voort in overstroomde uiterwaarden.

In de paaitijd (mei tot juli) trekken ze daar vanuit de rivieren naartoe; ze zetten de eieren bij voorkeur af in zeer ondiep water (tot 40 cm) boven gras.

In dit opzicht lijkt de karper op de Snoek, en evenals die soort verliezen ze tijdens het afzetten iedere schuwheid.

Maar bij de Snoek paart een vrouwtje meestal slechts met twee of drie mannetjes; bij de Karper heeft een vrouwtje vaak wel 15 mannetjes om zich heen.

Wel duurt het afzetten bij beide soorten verscheidene dagen, waarbij de dieren zich gedurig verplaatsen.

De eieren komen al na 3 tot 5 dagen uit.

Jonge Karpers eten eerst plankton, maar als ze ongeveer 2 cm lang zijn gaan ze voedsel op de bodem zoeken.

Karpers kunnen zeker 50 jaar oud worden.

Vaak worden nog hogere leeftijden vermeld, maar daarvoor ontbreken bewijzen.

In de Zwarte Zee en de Kaspische Zee leven anandrome brakwatervormen, die in de paaitijd de rivieren optrekken om zich in de overstromingsgebieden langs de benedenloop voort te planten.

De populaties van de wilde Karper in Centraal-Europa kunnen zich nauwelijks langs natuurlijke weg in stand houden, wegens het ongunstige klimaat en door waterbouwkundige ingrepen (bedijking van rivieren).

In de Beneden-Donau lukt dat nog wel, maar in Centraal- en Noord-Europa zijn alle Karpers waarschijnlijk oorspronkelijk uitgezet.
Daarbij is in feite sprake van een extensieve vorm van vijvercultuur, louter voor commerciële doeleinden.

De dieren worden kunstmatig vermeerderd, men laat ze in de vrije natuur opgroeien en kunnen ten slotte door hengelaars worden gevangen.

Er is dus geen sprake van natuurbescherming of het instandhouden van de soort, temeer niet omdat men haast altijd de hoogruggige kweekvormen van de Karper gebruikt.

Al in de Romeinse tijd werden gedomesticeerde Karpers in vijvers gehouden.
Thans bestaan talrijke kweekvormen, die een duidelijk hogere rug hebben dan de wilde vorm, al hebben ze de massieve bouw van het grondtype behouden.

Deze kweekvormen groeien sneller dan de wilde vorm.

Sommige rassen hebben nog de normale beschubbing (‘schubkarper’), bij andere is de beschubbing gereduceerd (‘spiegelkarper’, met weinig, onregelmatig verdeelde schubben; rijenkarper’, met grote schubben alleen op de zijlijn of op de rug) of geheel verdwenen (‘lederkarper’).

Karpers doorstaan de Midden-Europese winters meestal zonder problemen, maar hun stofwisseling is in wezen toch slecht aangepast aan ons klimaat.

De dieren houden geen echte winterslaap; ze verbruiken dus veel energie.

Bij temperaturen onder 4 °C komen ze in de problemen; ze vervallen dan in een ongecontroleerde verstijving en gaan drijven, zodat ze ingevroren kunnen raken.

Karpers worden tegenwoordig overal ter wereld in viskwekerijen gehouden.

Vooral in Noord-Amerika en Australië hebben ze zich in natuurlijke wateren uitgebreid, en daar brengen ze grote schade toe aan de inheemse visfauna; plaatselijk hebben ze zich tot een plaag ontwikkeld.

Karpers worden voor consumptie verkocht, maar veel hogere marktprijzen haalt men met de topproducten van de Japanse kleurkarperteelt.

Ook in Europa neemt de populariteit van deze siervissen (koi’s) toe, en bijzondere exemplaren gaan voor duizenden guldens van de hand. 

Een koi stelt iets hogere eisen aan de temperatuur dan de stamvorm, en hebben meer zuurstof nodig.

japanse kleurkarper - koi

Japanse kleurkarper -koi

 

Verspreiding

De wilde karper vindt men van het Aral-meer tot de Midden-Donau.

Populaties die daar op lijken, maar waarvan de herkomst onduidelijk is, leven in het Bodenmeer en kende men vroeger ook in de Neckar.

De wilde vormen uit Oost-Azië behoren vermoedelijk tot andere soorten.

Hieronder heb je een video van een karper

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Waardering 0% (0 Beoordelingen)

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Nieuws - Dieren

Recent bezocht

Laatste reacties