GebruikersmenuClose

Menu

Menu

Wist u dat?

De strepen van een zebra voor verkoeling zorgen?

zebra

Naast de bescherming zorgen de strepen voor verkoeling. Doordat de zwarte strepen het zonlicht absorberen en de witte strepen het licht weerkaatsen is er een temperatuursverschil van wel 10 graden celcius tussen de strepen. Door dit temperatuursverschil ontstaat er een beetje wind wat de zebra afkoelt.

Beoordelingen

maltezer ( 7 beoordelingen )
gele-dovenetel ( 4 beoordelingen )
otter ( 3 beoordelingen )
kippen ( 3 beoordelingen )
snoekbaars ( 2 beoordelingen )
Powered by Spearhead Software Labs Joomla Facebook Like Button

Snoek - Esox lucius

Snoek - Esox lucius - 5.0 / 5 gebaseerd op 1 gebruikerswaardering

Inhoud:
Beschrijving | Kenmerken | Verwisselbare soorten
Leefwijze en biotoop | Verspreiding
 

snoek

Snoek

Beschrijving

De snoek is een langgestrekte vis met bijna rolrond lichaam, snavelachtig verlengde snuit en een ver naar achteren geplaatste rugvin.

 

Kenmerken

De snoek is  langgestrekt, gespierd, op doorsnede bijna rond, aan de buikzijde iets afgeplat.

Mannetjes worden tot 1 m lang, vrouwtjes tot 1,5 m.
Kop zeer lang; snuit snavelvormig verlengd, met vrij schaarse maar grote tanden in de (iets vooruitstekende) onderkaak; monddak met talrijke, naar achteren gebogen tanden.
Schubben klein; de zijlijn loopt door tot op de staartsteel, maar is op enkele plaatsen onderbroken.
Vinnen alle tamelijk lang; rugvin ver naar achteren geplaatst, pas vlak voor de aarsvin beginnend.
Kleur donkerbruin tot diepgroen met onregelmatige, deels tot vlekkenrijen opgeloste, geelachtige dwarsbanden; buik wit of geelachtig; kop met onscherpe overlangse banden getekend.
Borst- en buikvinnen meestal roodachtig en aan de voorrand witachtig; rug-, staart- en aarsvin met onregelematige, donkere vlekken.
Jonge dieren meer contrastrijk getekend, vaak met lichtgroene grondkleur.
105-130 schubben op de zijlijn.
Vinstralen: rugvin 19 tot 23, aarsvin 16 tot 21, borstvin 14, buikvin 19.

 

Verwisselbare soorten

In Europa komen geen andere soorten voor met zo’n kop en vinnenrangschikking.

snoek

 

Leefwijze en biotoop

Er zijn slechts 6 soorten snoeken, die allemaal sterk op elkaar lijken.
De bij ons inheemse Snoek, E. lucius, heeft van dat zestal de grootste verspreiding: het areaal omvat grote delen van Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika.
Een sterk overeenkomstige soort (E. reicherti) leeft in Oost-Siberië, de vier andere komen in Noord-Amerika voor.
Snoeken bewonen stilstaande of langzaam stromende wateren met dichte plantengroei langs de oevers.
Ze hebben een voorkeur voor heldere wateren met grindbodem, maar ook ‘s zomers iets troebele meren zijn geschikte snoekwateren.
Het uitgestrekte areaal laat al vermoeden dat de soort zich aan zeer uiteenlopende omstandigheden kan aanpassen.
In gebergten komen Snoeken tot 1500 m hoogte voor, maar in de kuststreken gaan ze zelfs tot in het brakke gebied (vooral in de Oostzee).
Snoeken loeren bewegingloos op prooi; ze staan daarbij tussen de waterplanten nabij de oever, het liefst aan de rand van rietkragen (‘liggers’).
Net als Forellen kunnen ze hun kleur aan die van de omgeving aan passen, en daardoor zijn de roerloze dieren bijna onzichtbaar, ondanks hun grootte.
Dat geldt vooral voor de eenjarige grassnoek’, die in de dichte vegetatie een lichtgroene kleur aanneemt.
Soms staan snoeken ook wel in open water, bijvoorbeeld in meren waar scholen prooivissen voorkomen (‘jagers’).
De ongepaarde vinnen vormen een functionele eenheid en werken als een peddelblad; daardoor kan de snoek vanuit stilstand bliksemsnel naar voren schieten, uit de dekking.
Ontkomt de prooi, dan wordt die meestal niet verder achtervolgd; snoeken kunnen niet lang achtereen snel doorzwemmen.
Karperachtigen worden vaak als prooi uitgezocht, maar daarnaast wordt zo ongeveer alles verslonden wat in de bek past, tot kikkers, kleine zoogdieren en jonge watervogels toe.
Ook soortgenoten, overigens; wordt een bestand te talrijk, dan lossen snoeken hun demografische problemen op door kannibalisme, en in natuurlijke wateren komt overbevolking dus nooit voor.
De prooi wordt meestal van opzij gegrepen, vervolgens gedraaid en met de kop naar voren doorgeslikt.
De terugwijzende tanden op het verhemelte en op de tong verhinderen dat de prooi ontsnapt. Al te grote prooidieren die bij de poging tot verzwelgen blijven steken, kunnen dus ook niet weer uitgespuwd worden; menige snoek is op die manier door verstikking om het leven gekomen.
Maar het komt ook voor dat een grote prooivis met de staart nog uit de bek steekt, terwijl de voorste lichaamsdelen al in de maag van de snoek grotendeels verteerd zijn.
Aldus kunnen snoeken vissen opeten die nauwelijks korter zijn dan zijzelf.
Snoeken zijn uitsluitend overdag actief; het zijlijnorgaan en de ogen zijn hun belangrijkste zintuigorganen.
De paaitijd valt tussen februari en mei.
Snoeken paaien graag op overstroomde gronden langs de oever, of op andere dichtbegroeide plaatsen in ondiep water; kuitrijpe vrouwtjes worden daar meestal door 2 of 3 kleinere mannetjes omgeven.
Een vrouwtje kan ruim 300000 eieren produceren, die ca. 3 mm groot zijn; meestal kan men rekenen op ca. 40000 eieren per kilogram lichaamsgewicht.
De eieren zijn kleverig en hechten zich aan waterplanten.
Op die manier worden ze waarschijnlijk ook wel eens door watervogels meegenomen, zodat snoeken in wateren kunnen opduiken die ze anders op geen enkele manier hadden kunnen bereiken.
Afhankelijk van de temperatuur komen de eieren na 10- 30 dagen uit; de jongen hebben een klierveldje aan de kop, waarmee ze zich aan planten of andere objecten kunnen vastkleven. Na het vrijzwemmen eten ze eerst kleine planktonkreeftjes, maar bij een lengte van ca. 4 cm
gaan ze al op kleine visjes over.
Na een jaar kunnen ze een lengte van 30 cm bereikt hebben, afhankelijk van het voedselaanbod en ook weer de temperatuur.
Pas na 3-4 jaar worden ze geslachtsrijp, in zeer warme meren soms een jaar eerder.
Over de maximale grootte van Snoeken doen sterke verhalen de ronde; berichten over dieren van meer dan 1,5 m lengte bij een gewicht van meer dan 25 kg moet men echter met een flinke korrel zout nemen, in elk geval voor wat Midden-Europa betreft.
De snoek is een populaire hengelvis, maar commerciële visserij voor de handel vindt haast nergens plaats.
De teelt van pootvis is echter een welkome bijverdienste voor viskwekerijen.
Omdat de geprefereerde paaiplaatsen (zoals overstromingsgebieden en andere ondiepe, dichtbegroeide wateren) op veel plaatsen zijn verdwenen, hangt het voortbestaan van de snoekbestanden in toenemende mate van het uitzetten van pootvis af.
In wateren uit het forellen- en vlagzalmengebied, waar de snoek dankzij zijn aanpassingsvermogen ook best kan leven, is hij geen graag geziene gast, omdat hij de waardevolle, meer smakelijke soorten wegvangt; weliswaar smaakt snoekvlees ook uitstekend, maar het is erg graterig en dus toch van mindere kwaliteit.
Maar de bestanden worden wel met pootvis aangevuld op plaatsen waar veel kleine witvis voorkomt, die niet op andere wijze wordt benut.
Grote, dichte populaties kan men aldus echter niet bereiken, omdat snoeken - onafhankelijk van de dichtheid van de prooidieren - hun eigen bestand op de vooromschreven wijze zelf reguleren.
Snoek wordt meestal met de snoeklepel of de spinner gevangen; in sterk beviste wateren zijn ze echter zeer voorzichtig en laten ze zich door de gebruikelijke spinner nauwelijks meer foppen.

kop snoek

kop van de snoek

Verspreiding

de snoek komt voor in vrijwel geheel Noord-Azië en Europa; niet echter op IJsland, in West-Noorwegen, Noord Schotland, het grootste deel van het Iberisch Schiereiland en in de kuststreken langs de Middellandse Zee.
Verder in Noord-Amerika, van Missouri tot in de arctische delen van Canada en Alaska.

Hieronder kan je een video bekijken van snoekbaarzen en de snoek

5 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Waardering 100% (1 Beoordeling)

Plaats reactie

Beveiligingscode Vernieuwen

Nieuws - Dieren

Recent bezocht

Laatste reacties