GebruikersmenuClose

Menu

Menu

Wist u dat?

Er aardwormen zijn die meters lang kunnen worden?

aardworm

De South African Giant Earthworm spant de kroon met een record van 6,7 meter!
Er zijn verschillende aardwormsoorten die langer kunnen worden dan een meter.
In Australië leeft de Giant Gippsland Earthworm (Megascolides australis) die gemiddeld 80cm lang en 2cm dik wordt.
Deze worm kan echter wel 4 meter lang worden!
In Nieuw Zeeland leeft de North Auckland Worm.
Deze worm wordt zo'n 1,4 meter lang en 1,1cm dik.
Het bijzondere van deze worm is dat hij 's nachts zoveel licht geeft, dat je bij het licht van één worm kunt lezen.
In Oregon leeft de Oregon Giant EarthWorm (Driloleirus macelfreshi).
Deze worm wordt ongeveer een meter lang.
De worm geeft een geur af die aan bloemen doet denken. Driloleirus betekent dan ook 'lelie-achtige worm'.
Dan is er ook nog de South African Giant Earthworm.
Van deze soort is er in 1967 een exemplaar gevonden dat maar liefst 6,7 meter lang was!
Gemiddeld word een South African Giant Earthworm 'slechts' 1,8 meter lang.

Beoordelingen

maltezer ( 5 beoordelingen )
gele-dovenetel ( 4 beoordelingen )
hondsdraf ( 3 beoordelingen )
beuk ( 3 beoordelingen )
chimpansee ( 2 beoordelingen )
Powered by Spearhead Software Labs Joomla Facebook Like Button

Snoekbaars - Sander lucioperca

Snoekbaars - Sander lucioperca - 4.0 / 5 gebaseerd op 2 gebruikerswaarderingen

Inhoud:
Beschrijving | Kenmerken | Verwisselbare soorten
Leefwijze en biotoop | Verspreiding | Verwante soorten

Snoekbaars

Snoekbaars

 

Beschrijving

De snoekbaars is een grote, langgestrekte, zijdelings weinig samengedrukte vis met diepe mondspleet en een tweedelige rugvin, het voorste deel daarvan stekelig.

 

Kenmerken

Het lichaam van de snoekbaars is langgestrekt en spoelvormig; rug sterker gewelfd dan de buiklijn.

de snoekbaars heeft een lengte van 40 tot 70 cm, maximaal 1.3 m.

Kop lang, spits.

Mondspleet eindstandig, zeer diep (tot achter de ogen reikend); kaken met enkele grote grijptanden tussen talrijke kleine tanden.

Kieuwdeksel van achteren met een kleine, onopvallende doorn. Kleine ctenoïdschubben; zijlijn volledig ontwikkeld.

Rugvin gedeeld, de beide delen lang en hoog, het voorste deel alleen met stekelstralen, het achterste deel weekstralig maar met een enkele stekelstraal aan de voorrand, net als bij de buik- en aarsvin.

Rug donkergrijs tot olijfkleurig, flanken lichter grijs, buik witachtig; jonge dieren met 8 tot 10 duidelijke, donkere dwarsbanden die op latere leeftijd vervagen.

Rug-, aars- en staartvin met talrijke donkere stippen en vlekjes. 75 tot 100 schubben op de zijlijn.

Vinstralen: voorste rugvin Xlll-XV, achterste rugvin 1-11/19- 23, aarsvin 11/11-13, borstvin 15-16, buikvin 1/5.

 

Snoekbaarzen

Snoekbaarzen

 

Verwisselbare soorten

De Baars (Perca fluviatilis) is meer gedrongen van vorm en heeft geen stipjes op de vinnen.

Zingel-soorten hebben een kleine bek, een lange, dunne staartsteel en ook weer ongevlekte vinnen.

De Amerikaanse baarzen (Micropterus salmoides en M. dolomieu) zijn meer gedrongen en hebben kortere, ongedeelde of zeer dicht bijeenstaande rugvinnen.

 

Leefwijze en biotoop

In de gestrekte lichaamsvorm en de lange, met grote tanden toegeruste kaken lijkt de Snoekbaars op de Snoek, zoals ook in de naam tot uitdrukking komt.

Anders dan de Snoek jaagt de Snoekbaars echter in open water.

Hij komt vooral in grotere meren en in langzaam stromende rivieren voor, maar hij dringt ook door in het brakke water van estuaria en in de haffen langs de Oostzee.

Zuurstofarme, ondiepe wateren met zachte bodem worden gemeden.

De Snoekbaars is nogal lichtschuw; men vindt hem vooral in troebel water, op 2 tot 3 m diepte, waar ze solitair leven; vaak staan ze, loerend op prooi, in de buurt van opvallende bodemstructuren (rotsen, boomwortels ed.).

In helder water trekken ze zich naar diepten van meer dan 5 m terug.

Ze mijden de ondiepten bij de oever, en ook wagen ze zich alleen in de schemering in de bovenste waterlagen.

Anders dan de Snoek, die prooien aankan die haast zo groot zijn als hijzelf, is de Snoekbaars op kleine prooivissen gespecialiseerd; ook grote exemplaren eten zelden vissen van meer dan 10 cm lengte.

In Alpenmeren leeft de Snoekbaars in hoofdzaak van jonge Coregonus soorten, in riviermonden en in de Oostzee zijn Spiering (Osmerus eperlanus) en Pos (Gymnocephalus cernuus) de voornaamste prooi.

In andere wateren leven Snoekbaarzen vooral van Alvers (Alburnus alburnus) en jonge exemplaren van andere karperachtigen; omdat deze zich meestal bij de oever of aan het oppervlak ophouden, jaagt de Snoekbaars daar waarschijnlijk pas als de avond begint te vallen.

Snoekbaarzen paaien in april en mei, als de watertemperatuur boven 10 °C is gekomen.

Aan de paaiplaatsen worden hoge eisen gesteld; meestal liggen ze in ondiep water nabij de oever (waterdiepte ca. 1,5 m), waar de bodem schoon is.

Vaak worden de eieren in klompen aan losgespoelde boomwortels of aan bijeengedreven takken afgezet.

Het mannetje maakt het afzetsubstraat tevoren schoon en bouwt er vaak een soort nest van.

Een enkel vrouwtje kan meer dan 200000 eieren produceren.

Het legsel wordt tot het moment van uitkomen door het mannetje bewaakt en door waaieren met de borstvinnen van vers water voorzien.

In de voortplantingstijd eten Snoekbaarzen niet. Het broedsucces kan van jaar tot jaar sterk verschillen, wat vermoedelijk met de weersomstandigheden samenhangt.

De jonge visjes eten aanvankelijk zoöplankton (vooral kleine kreeft-achtigen), maar vallen al gauw jongen van andere vissoorten aan.

Is het voedselaanbod groot, dan kunnen ze aan het eind van de eerste zomer al 10 cm lang zijn.

Geslachtsrijp worden ze na 2 - 5 jaar, bij een lengte van 30 tot 40 cm.

De Snoekbaars is een zeer gewilde consumptievis.

De vangst met de zegen of met stelnetten is echter alleen in grote wateren lonend, zoals in Oost-Europa en ook in het IJsselmeer (waar vooral kieuw- of warnetten worden gebruikt).

Elders wordt de soort veel aan de hengel gevangen.

Voor de teelt in viskwekerijen is hij minder geschikt; soms wordt hij als bijproduct in karpervijvers gehouden.

Met de nodige vakkennis kan men de Snoekbaars in kweekvijvers tot voortplanting brengen.

Als pootvis is hij echter kwetsbaar en nogal duur; toch nemen hengelverenigingen er flinke hoeveelheden van af.

Het uitzetten mislukt nogal eens, omdat lang niet altijd voldaan wordt aan de voedselnoden van deze tamelijk gespecialiseerde roofvis.

In kleinere wateren waar ook Snoek voorkomt, krijgt de laatste soort meestal de overhand; maar ook in wateren die wel geschikt lijken stort de populatie van de uitgezette Snoekbaars vaak na enkele jaren om onbekende redenen in, ook als eerder goede groei optrad.

De oorzaak moet waarschijnlijk gezocht worden in verschuivingen in het spectrum van prooidieren.

Het uitzetten van nieuwe vissoorten (in elk geval grote roofvissen) stuurt de bestaande, harmonische betrekkingen tussen rovers en prooien sterk in de war, voordat zich (vaak pas na jaren) een nieuw evenwicht instelt of de ongeschikte soort weer verdwijnt.

Snoekbaarzen horen thuis in grote wateren; dat ze van nature niet in kleine plassen voorkomen heeft ongetwijfeld biologische redenen.

In een plasje van maar 2 ha kan men eenvoudig niet alle grote inheemse vissoorten bijeenzetten!

In Midden- Europa is de Snoekbaars overigens nergens in zijn voortbestaan bedreigd; hij is zelfs vaak ingeburgerd op plaatsen waar hij vroeger zelden of nooit voorkwam.

Waar de vissen zich nog langs natuurlijke weg voortplanten is niet meer zo duidelijk, omdat de soort bijna overal ook wordt uitgezet.

 

Amerikaanse baars

De amerikaanse baars

 

Verspreiding

Oorspronkelijk is de snoekbaars inheems van het Aral-bekken tot het stroomgebied van de Elbe; thans door uitzetting verbreid tot Frankrijk, Spanje en Engeland.

 

Verwante soorten

De Wolgasnoekbaars (Sander volgensis) is een riviervis uit de Donau (westwaarts ongeveer tot Wenen) en de rivieren aan de noord kant van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee.

De soort is altijd al zeldzaam geweest; over zijn leefwijze is weinig bekend.

Hij leeft blijkbaar vooral in de hoofdstroom en eet kleine vissen.

Hij verschilt van onze Snoekbaars door de hogere, zeilvormige voorste rugvin, het gemis van lange vangtanden op de kaken, een geringere grootte (25-35, maximaal 40 cm) en grotere schubben (70 tot 73 op de zijlijn).

De Zeesnoekbaars (S. marinus) leeft in brak water aan de noordkant van de Zwarte Zee en wordt ook in het zuiden van de Kaspische Zee gevonden.

Hij komt alleen naar de rivieren om te paaien, in april en mei. Hij leeft in hoofdzaak van kleine bodemvissen, vooral grondels.

Hij blijft kleiner dan onze Snoekbaars (maximaal 60 cm), en de vinnen hebben geen donkere tekening, afgezien van een grote, zwarte vlek bij de achterrand van de voorste rugvin.

5 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Waardering 100% (1 Beoordeling)

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Nieuws - Dieren

Geen feed gevonden

Recent bezocht

Laatste reacties