GebruikersmenuClose

Menu

Menu

Wist u dat?

De aarde een constante 'brom' voortbrengt?

aarde

De 'brom' ligt tussen de 2 en 7 mHz (milihertz).

Beoordelingen

maltezer ( 5 beoordelingen )
gele-dovenetel ( 4 beoordelingen )
hondsdraf ( 3 beoordelingen )
beuk ( 3 beoordelingen )
chimpansee ( 2 beoordelingen )
Powered by Spearhead Software Labs Joomla Facebook Like Button

Kerkuil - Tyto Alba

Kerkuil - Tyto Alba - 5.0 / 5 gebaseerd op 3 gebruikerswaarderingen

Inhoud:
Beschrijving | Het leefgebied | Jachttechniek | Het geluid van de kerkuil
Voortplantig | Eieren | Broeden | Voedsel | Uitrusting voor de duisternis
 

kerkuil

Kerkuil - Tyto Alba

 

Beschrijving

De kerkuil alarmeert in de vlucht met een krijs.

Valt indringers aan met korte, zeer scherpe, indringende schreeuw.

Verder ook allerlei wonderlijke geluiden in de broedtijd.

De kerkuil is een hele lichte, slanke uil met een typisch hartvormig gezicht met zwarte ogen.

 

De zeer tot de verbeelding sprekende kerkuil broedt en jaagt vaak in menselijke omgeving, maar slechts weinigen krijgen hem wat beter te zien.

Het voedsel bestaat voornamelijk uit veldmuizen, aangevuld met huisspitsmuizen en bosspitsmuizen.

Het leefgebied

Het leefgebied van de Kerkuil bestaat in België, Nederland en in de omringende landen grotendeels uit half open cultuurlandschappen met allerlei kleinschalige elementen.

De Kerkuil is een specifieke jager van het open veld en hij komt het meest voor in die kleinschalige gebieden, waar grasland en bouwland worden begrensd door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes, maar ook ruig begroeide, slecht onderhouden graslandgebieden, ruige grasstroken en wegbermen worden als jachtterrein benut.

 

Jachttechniek

De Kerkuil kent een drietal jachttechnieken:
 

laag vliegend, zittend of biddend.
Veelvuldig wordt de "laagvliegroute" -methode toegepast:
de Kerkuil vliegt dan langzaam met korte glijpauzes op een hoogte van 1 tot 3 meter over een vaste route.

Tijdens de vlucht wordt de omgeving nauwkeurig afgezocht op prooidieren.
Daarnaast jaagt de uil vanaf vaste punten, zoals paaltjes aan de rand van een weiland, kilometerpaaltjes langs verkeerswegen of hij zoekt een laaghangende tak in een boom op. Vanaf die plaatsen wacht hij op zijn prooidieren.

Deze methode kost de Kerkuil weinig energie en is dus voordelig, vooral 's winters.
De derde jaagmethode is het "bidden":
de uil blijft tijdens het laagvliegen, als een prooi wordt opgemerkt, even in de lucht hangen.

De Kerkuil kan zelfs een stukje terugvliegen!

Wordt de prooi gelokaliseerd, dan stort hij zich erop.

 

Het geluid van de Kerkuil

De baltsroep (ïjselijke schreeuw)

De baltsroep, die uit een ijselijk, luid gekrijs bestaat, is het meest indrukwekkende geluid, dat het mannetje in de vlucht laat horen.

Het is de eigenlijke zang van de Kerkuil.

De "schreeuw" is op honderden meters hoorbaar.

Het mannetje laat zo duidelijk horen dat hij aanwezig is en een territorium bezit. Ongepaarde mannetjes roepen zeer frequent gedurende lange tijd.

Blazen
Blazen is het karakteristieke geluid van de jongen.

Zodra de zon is ondergegaan, produceren de jongen het monotome geluid op de nestplaats.

Afhankelijk van de leeftijd en de voedselbehoefte blaast een jong 5-60 keer per minuut.

Behalve de jongen blaast het wijfje ook regelmatig.

Het is de contactroep met de jongen.

Vlak voor het leggen van het eerste ei blaast het wijfje veelvuldig (=bedelgedrag) met als gevolg dat het mannetje voedsel brengt.

Zowel volwassen als jonge uilen laten bij gevaar een langgerekt blazen horen.

Het is een dreigend geluid, dat twee tot tien seconden kan aanhouden.

Dit geluid werkt aanstekelijk: zodra één van de nestjongen begint te blazen, valt de rest van de aanwezige jongen in.

Ongetwijfeld zal het agressieve geblaas van alle uilen indruk maken op de indringer.
 

Tsjirpen
Het eerste geluid dat een jonge Kerkuil laat horen, wanneer het uit het ei is gekomen, is een "rinkelend" getsjilp, gecombineerd met piepende, krassende en klokkende kreten: tsjirpen. Het geluid wordt veelal gehoord vlak vóór, tijdens en na het voeren van de jongen door het wijfje. Tegen het einde van de eerste levensweek krijgt het blazen geleidelijk de overhand.

Tongklikken
Bij naderend gevaar laat het jong, naast het blazen, "tongklikken" horen: het slikt als het ware de tong in, waardoor de boven- en ondersnavel op elkaar klappen. Het tongklikken wordt vaak afgewisseld met een sissend geluid, waarbij de snavel licht geopend is.
 

Voortplanting

Kerkuilen kunnen in alle maanden van het jaar broeden.

De voedselsituatie moet dan wel optimaal zijn.

Zo zijn in goede muizenjaren in ons land jonge Kerkuilen geringd in december (derde broedsel!).

De meeste broedparen (70%) leggen in april en mei eieren.

De gemiddelde legdatum ligt rond de eerste week in april.
 

Balts
Veel kerkuilenparen blijven in de winter in hun voortplantingsgebied.

De paarband is sterk en de paren zijn meestal trouw aan een eenmaal gekozen nestplaats.

Maar weersomstandigheden en voedselschaarste kunnen er soms de oorzaak van zijn dat de uilen in de wintermaanden gaan zwerven.

Sterft één van de volwassen vogels, dan wordt de lege plaats meestal snel ingenomen door een nieuwe partner.

"Partnerruil" vindt op kleine schaal plaats.
 

Tegen het einde van het eerste levensjaar zijn Kerkuilen geslachtsrijp (in gevangenschap al met 5 maanden).

Vroeg in het voorjaar begint de balts.

Al in maart en soms al in februari of eind januari wanneer de dagen langer worden en de temperatuur wat aangenamer wordt, laat het mannetje van de Kerkuil zich zo nu en dan al horen met zijn ijselijke kreet.

Het mannetje geeft hiermee duidelijk zijn territorium aan: hier is voldoende voedsel aanwezig en er is een goede nestplaats.

Komt er een vreemd mannetje in zijn gebied, dan laat hij duidelijk horen dat het zijn gebied is.

Het gevolg is meestal dat de indringer verdwijnt, zonder dat het tot een gevecht komt.
 

Het mannetje kiest dus de nestplaats.

Wanneer de nestkeuze is gevallen, brengt hij op vaste tijden vroeg in de avond prooien op het nest.

Later komt hij terug om ze op te eten.

De balts heeft ook een geslachtelijke functie.

De roep lokt de vrouwtjes aan en stimuleert ook bij paren die allang bijelkaar zijn, de ontwikkeling van de eicellen.

De baltsvluchten van beide uilen zijn indrukwekkend.

Ze vliegen vaak achter elkaar aan met grote snelheid en laten daarbij veelvuldig "vleugelklappen" horen.

Nachtenlang probeert hij zijn toekomstige partner naar de nestplaats te lokken.

Het bruidsgeschenk heeft hij dan al bij zich: een onthoofde muis.

Het liefdesspel is nu in volle gang. Na verloop van tijd zijn de beide uilen op de nestplaats te vinden.

Toch duurt het nog minstens zes weken voordat het eerste ei wordt gelegd.

Regelmatig vinden paringen plaats (bijna elke nacht). In de eerste plaats dienen de paringen voor de bevruchting van de eieren, maar ook om de band tussen de beide uilen te versterken.
 

Enige dagen voordat het eerste ei wordt gelegd, verlaat het vrouwtje maar zelden het toekomstige nest voor langere tijd.

Het mannetje verzorgt de prooiaanvoer.

Het gewicht van het wijfje neemt langzaam toe.

En dan is het eindelijk zover: het eerste ei is gelegd.

Nu breekt er rust aan en de uilen worden nauwelijks nog waargenomen.

eitjes kerkuil

Hierboven: eitjes van de kerkuil

Eieren

De eieren van de Kerkuil zijn glansloos wit en enigszins ovaal van vorm.

De afmetingen bedragen gemiddeld 39 x 31 mm, terwijl het gewicht rond de 20 gram schommelt.

Gewoonlijk legt de Kerkuil 4 - 7 eieren en bij uitzondering meer dan 10.

In veldmuisrijke jaren zijn de legsels aanzienlijk groter dan in veldmuisarme jaren.

In voedselrijke jaren komt het voor dat de Kerkuilen een tweede keer broeden en in uitzonderingsgevallen drie maal.

De eieren worden meestal om de andere dag gelegd.

 

Broeden
 

Na het leggen van het eerste ei begint het vrouwtje direct te broeden.

Twee tot drie keer per uur keert ze de eieren met de onderkant van de snavel.

Het regelmatig keren van de eieren is van groot belang voor de ontwikkeling van de kiem en voor de goede verdeling van de warmte over het ei. Het wijfje broedt alleen, terwijl het mannetje haar gedurende de gehele broedperiode voorziet van voedsel.

Krijgt ze in deze periode te weinig voedsel dan kiest ze voor zichzelf en verlaat ze het legsel.

Tegen het einde van de ongeveer 30 dagen durende broedperiode komen de eieren uit (om de twee dagen een ei).

 

kerkuil - kuikens

Kuikens van de kerkuil

Voedsel

De Veldmuis
is één van de belangrijkste prooidieren voor de Kerkuil.

De muizen komen talrijk voor in korte, ruige vegetaties, op lichte hellingen, zoals slootkanten, bermen en dijken, die niet te nat of te droog zijn.

Ze kunnen talrijk voorkomen op verwaarloosde terreintjes. Op zandgrond zijn ze minder talrijk dan op klei- of veengrond. Veldmuizen zijn planteneters.
Van tijd tot tijd treden veldmuizenplagen op.

Er is een opmerkelijke regelmaat in de aantalsschommelingen vastgesteld. De opeenvolgende cycli duren gewoonlijke drie (of vier en soms vijf) jaar. De cyclus begint met een zeer lage populatiedichtheid en eindigt met een "topjaar".

Het aantal muizen kan dan oplopen tot 50 per vierkante meter! Goede muizenjaren zijn goede broedjaren voor de Kerkuil.

De Aardmuis
die groter en donkerder is dan de Veldmuis, komt vooral voor in vochtige terreinen met een hoge, dichte kruidlaag.
 

De Bosspitsmuis
is een belangrijke prooi voor de Kerkuil wanneer er weinig Veldmuizen zijn.

Bosspitsmuizen komen in zeer gevarieerde landschapstypen voor zoals in ruige graslanden, bermen, onder heggen, in heide, duinen en parken.

Hij komt het talrijkst voor in het menu van de Kerkuil, maar hun gewicht bedraagt slechts 9 tot 13 gram (Veldmuis 14 tot 40 gram).
Het voedsel van de Bosspitsmuis bestaat uit ongewervelde dieren zoals wormen, kevers, spinnen, pissebedden, slakken en soms kleien zoogdieren. Vooral in de winterperiode worden de spitsmuizen door de Kerkuil gevangen.

De Huisspitsmuis
leeft voornamelijk in de omgeving van de menselijke bebouwing.

Hij is een cultuurvolger, die zich ophoudt in schuren, hooimijten, houtstapels, composthopen, ruige tuinen, onkruidvelden, bermen en dijken.

De Huisspitsmuis is één van de belangrijkste winterprooidieren.

In kleinere aantallen worden de volgende prooien gevangen:

Bosmuis, Huismuis, Mol, Dwergspitsmuis, Veldspitsmuis, Waterspitsmuis, Rosse Woelmuis, Noordse Woelmuis, Ondergrondse Woelmuis, Woelrat, Dwergmuis, Bruine Rat.
Van de Vogels zijn het vooral Spreeuwen en Mussen, die op het menu staan van de Kerkuil.

 

Uitrusting voor de duisternis

Op een enkele uitzondering na zijn uilen vogels van de schemering en de duisternis.

De Kerkuil is de meest nachtelijke vogel onder de uilen.

Wanneer de "dagvogels"al lang hun slaapplaatsen hebben opgezocht, komt de Kerkuil pas tevoorschijn.

In het gunstigste geval is zijn omgeving vaag verlicht door het schijnsel van de maan, maar meestal is het 's nachts donker.

Bij volslagen duisternis, wanneer ook een Kerkuil niets ziet, moet de uil toch aan voldoende voedsel zien te komen om in leven te kunnen blijven. In verband met zijn nachtelijke leefwijze is de Kerkuil sterk afhankelijk van zijn zintuigen.

Opvallend bij uilen zijn de ronde kop met de grote ogen, die onbeweeglijk in de oogkassen zitten.

De uil moet de kop draaien als hij in een andere richting wil kijken.

De Kerkuil presteert het zelfs om de kop 270 graden (driekwart!!), zowel naar links als rechts, terrwijl het lichaam roerloos op zijn plaats blijft.

Een deel van het gezichtsveld wordt door beide ogen gezien (binoculair zien).

Hierdoor kan de uil de afstand tot de prooi schatten.

Het binoculaire gezichtsveld bedraagt bij uilen 70 graden In volslagen duisternis zien uilen niets, maar aardedonker is het slechts zelden in de natuur.

Bij een zeer lage lichtsterkte zijn uilen in staat toch nog iets te zien.

Het geheim van een goed gezichtsvermogen bij uilen (100x groter dan bij ons) schuilt in de grootte en de constructie van de ogen.

Een tweede belangrijk middel voor de uil om een prooi op te sporen is het gehoor, dat zeer goed ontwikkeld is.

Veel soorten uilen hebben "oorpluimen" , die echter niets met het gehoor te maken hebben. Het zijn verlengde kopveren, die iets over de stemming van de uil zeggen.
Geluiden die wij niet kunnen waarnemen, horen uilen wel.

Het goede gehoor is te danken aan de bijzondere bouw van het gehoororgaan.
Aan de rand van de sluier bevinden zich bij de Kerkuil enorm ontwikkelde ooropeningen.

De grote ooropening is aan de voor- en achterkant voorzien van oorkleppen.

Deze kleppen zijn eigenlijk stevige huidplooien, die bezet zijn met stijve veertjes.

Aan de voorkant van de ooropening zijn deze kleppen zeer beweeglijk Ze kunnen als een deksel over de gehooropening vallen en beschermen de uil tegen geluidsoverlast.

Verder doen ze dienst als een soort "richtmicrofoon", die naar alle kanten kan draaien.

Een prachtig systeem, dat vergelijkbaar is met de beweegbare oren van een hond.

De mooie hartvormige sluier van de Kerkuil werkt als een geluidsontvanger.

De binnenkomende geluiden blijven binnen de sluier en worden geleid naar de beide gehoororganen.

De veertjes in de sluier staan ver uit elkaar, zodat het geluid er gemakkelijk doorheen kan gaan.
De asymmetrische stand van de oren is een extra aanpassing voor een optimaal gehoor.

De rechter ooropening ligt op ooghoogte, terwijl de linker opening 10 tot 15 graden hoger ligt.

Dat betekent dat het geluid een fractie van een seconde eerder in het ene oor aankomt dan in het andere.

Zo kan de uil de beweging van een muis exact volgen.

Zeer bijzonder is het dat de uil zelfs onderscheid kan maken tussen het ritselen van muizen in bladeren, het piepen van prooidieren en het kauwen van muizen op voedsel.

Opmerkelijk is het dat de uil ook de hoogte van de geluidsbron kan vaststellen.

Wanneer de Kerkuilvliegend jaagt tot op een hoogte van drie meter of op een paaltje zit, weet hij exact de afstand te bepalen tot de muis, die zich in een greppel, in het gras of op een molshoop bevindt.
Ogen en oren vormen tezamen een zeer verfijnd opsporingssysteem van de nachtelijke jagers.
Bij ongunstige weersomstandigheden, zoals bij regen en harde wind, wordt er buiten weinig of niets gevangen.

De uilen kunnen dan in schuren en gebouwen nog proberen iets te bemachtigen.

kerkuil in de vlucht

Een kerkuil in de vlucht

Naast een uitstekend gezichtsvermogen en gehoor is het geruisloos vliegen van groot belang voor de Kerkuil.

Het lichaam is smal en bedekt met veel lichte veren en het weegt slechts 300 tot 400 gram, terwijl de brede vleugels een spanwijdte van bijna een meter hebben.

Zo kan de Kerkuil gemakkelijk zweven en met een lage snelheid (15 tot 20 km per uur) de grond afzoeken naar prooidieren.

4.375 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Waardering 88% (4 Beoordelingen)

Reacties   

0 #1 RE: Kerkuil - Tyto Albaesmee 28-03-2015 13:49
echt heel veel info bedankt een 9 en een half :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol: :lol:
Citeer | Melden aan beheerder

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Nieuws - Dieren

Geen feed gevonden

Recent bezocht

Laatste reacties