Hoe werken ecoducten en faunapassages en waarom zijn ze belangrijk voor biodiversiteit

Hoe werken ecoducten en faunapassages en waarom zijn ze belangrijk voor biodiversiteit

Wat zijn ecoducten en faunapassages

Ecoducten en faunapassages zijn speciale overgangen die dieren veilig laten oversteken waar wegen, spoorlijnen of kanalen hun leefgebied doorsnijden. Een ecoduct is meestal een brede, begroeide brug over een drukke weg, speciaal ingericht voor dieren. Faunapassages is een verzamelnaam voor allerlei oplossingen, zoals loopbruggen, tunnels, buizen onder de weg en geleidingsschermen langs oevers.

Verschillende typen faunapassages

Niet elke diersoort gebruikt dezelfde constructie. Grotere zoogdieren zoals reeën, everzwijnen en vossen maken vooral gebruik van brede ecoducten of ruime tunnels. Kleinere dieren zoals egels, amfibieën en reptielen krijgen vaak kleinere buizen en kokers onder de weg met vochtige, beschutte omstandigheden. Voor vissen worden vistrappen en onderwaterpassages aangelegd, zodat ze barrières zoals stuwen en sluizen kunnen passeren.

Hoe ecoducten in de praktijk werken

Een ecoduct wordt ontworpen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke omgeving. De bovenkant wordt beplant met struiken, gras, soms kleine bomen en natuurlijke elementen zoals takkenrillen, stenen en ruigte. Zo voelt het voor dieren aan als een gewoon stuk natuur in plaats van een kale brug. Geluidschermen en aarden wallen verminderen licht en geluid van verkeer, waardoor dieren zich veiliger voelen bij het oversteken.

Sturing van dieren naar de oversteekplaats

Om dieren daadwerkelijk naar het ecoduct of de faunapassage te leiden, worden langs de weg vaak rasters of geleidewanden geplaatst. Deze voorkomen dat dieren zomaar de weg oplopen en sturen ze richting de veilige oversteek. Bij amfibieën en kleine zoogdieren gaat het om lage, gladde schermen die moeilijk te beklimmen zijn. Voor grotere dieren worden robuuste rasters gebruikt met doorgangen alleen ter hoogte van de faunapassage.

Waarom ecoducten belangrijk zijn voor biodiversiteit

Wegen en spoorlijnen versnipperen landschappen in kleinere stukken, waardoor populaties van planten en dieren geïsoleerd raken. Dit beperkt de uitwisseling van genen, maakt soortgroepen kwetsbaarder voor ziekten en vergroot de kans op lokale uitsterving. Ecoducten en faunapassages verbinden deze losse stukken natuur opnieuw, zodat dieren zich vrijer kunnen verspreiden en nieuwe leefgebieden bereiken.

Gezonde populaties en minder verkeersslachtoffers

Dankzij betere verbindingen kunnen dieren voedsel, partners en schuilplaatsen vinden in een groter gebied. Dit zorgt voor sterkere en veerkrachtigere populaties en daarmee voor meer biodiversiteit. Tegelijkertijd verminderen ecoducten en faunapassages het aantal aanrijdingen met dieren, wat zowel de dieren als verkeersdeelnemers ten goede komt. Monitoring met camera’s, sporenonderzoek en tellingen laat in de praktijk zien dat veel soorten actief gebruikmaken van deze voorzieningen.

Hoe je het belang in je eigen omgeving herkent

Wie langs snelwegen of spoorlijnen in België en de buurlanden reist, kan ecoducten vaak herkennen aan groene, brede bruggen met aarden taluds en hoge omheining. Kleinere faunapassages vallen minder op, maar zijn soms te zien aan rasters langs de weg die uitkomen bij kokers of tunnels. Door bij ruimtelijke plannen aandacht te vragen voor ecologische verbindingen, kunnen overheden en natuurorganisaties samen werken aan een netwerk van doorgangen dat de biodiversiteit blijvend ondersteunt.